Sluiten

Steun Global Voices en doneer vandaag nog!

Onze vrijwilligers over de hele wereld zetten zich elke dag in om verhalen te schrijven of te vertalen die je nergens anders leest. Maar hiervoor hebben we jouw hulp nodig. Steun onze editors, onze technologie en onze projecten met een donatie aan Global Voices!

Doneer nu

Hoe het de zes grootste economische mogendheden gaat temidden van de mondiale politieke COVID-19-economieën

Coronavirus beeldconcept van een medisch gezichtsmasker en geld, dat de pandemie en de economische schade door het Coronavirus uitbeeldt. Door Jernej Furman op Flickr, CC BY 2.0.

Door Ian Inkster

Op 6 september 2020 overschreed het aantal officieel geregistreerde COVID-19 -gevallen de 27 miljoen, met een dodental van meer dan 884.000. Hoewel we nog midden in de globale pandemie zitten, wordt er steeds meer nagedacht over de uiteindelijke economische gevolgen. Hier tonen we aan dat de economische gevolgen van het virus in alle landen nauw zullen samenhangen met omvang van de uitbraak, mortaliteit, toestand van de economie vóór de pandemie, alsook het beleid om het virus te bestrijden.

De politieke economie van elke natie hangt echter samen met de globale economie, en daarom is de schaal van activiteiten in de grootste economieën van groot belang – misschien van groter belang voor de mate van herstel van een land dan de effectiviteit dan het COVID-19-management.

Tabel 1 hieronder toont de zes belangrijkste economieën met BNP, en vermelding van het aantal COVID-19- gevallen sinds het ontstaan van het virus.

Rij A toont het aantal gevallen per miljoen, rij B het aantal doden per miljoen en rij C toont het aantal doden per aantal gevallen in elk land.

Samen vertegenwoordigen deze zes landen 44 procent van de wereldbevolking (E), 42 procent van de COVID-gevallen (D) en 57 procent van het globale BBP – dus ze zijn enorm belangrijk in elk opzicht.

Het is onmiddellijk duidelijk dat het totale aantal gevallen op zich (rij D) niets zegt over de reële impact. Indië, bijvoorbeeld, heeft een groot aantal gevallen, maar een veel kleinere verhouding van gevallen per hoofd van de bevolking dan de VS of het VK. Inderdaad, Engeland – met veel minder gevallen dan Indië – heeft een catastrofale statistiek: het grootste aantal doden per miljoen en verreweg het grootste aantal doden per aantal gevallen (rij C), ook benoemd als de ” waargenomen mortaliteitsratio”, met meer dan 12 procent in vergelijking met de 1,9 procent van Japan. Duitsland, meestal als voorbeeldig beschouwd in het Westen, heeft in werkelijkheid een hogere mortaliteitsratio dan Japan of Indië. Niet alles is zoals het lijkt, vooral als je de onzorgvuldige en slordige berichtgeving van de Westerse pers bekijkt.

Armoede, leeftijd en COVID-19

Tabel 2 geeft een interpretatie weer van deze data. Ten eerste: hoe armer het land, gemeten naar koopkrachtpariteit van het inkomen per hoofd van de bevolking (volgens Wereldbankdata), hoe lager de incidentie en mortaliteit van COVID-19. Rij F toont aan dat Indië een inkomen per capita van maar 13 procent van de VS heeft, 15 procent van dat van Duitsland, of 18 procent van dat van Japan. Toch is de incidentie van COVID-19 in Indië lager, ondanks de alarmerende krantenkoppen.

*PPP statistieken passen de verschillen in levenskost aan door normale muntwisselkoersen te vervangen door koersen ontwikkeld om de prijzen van een “standaardkorf van goederen en diensten” op gelijk niveau te brengen. Dit resulteert in de koopkrachtpariteit KKP. Die wordt op haar beurt gebruikt om de KKP-waarden van BBP per hoofd te verkrijgen. Hier worden ze getoond in US$ in plaats van een index, omdat dit de eigenlijke verschillen tussen de landen en regio's veel duidelijker maakt. CHEUNG, Yin-Wong, “Purchasing Power Parity”, in Reinert, Kenneth A. et al. (eds), The Princeton Encyclopedia of the World Economy, Princeton, 2009

Rijen G en H tonen dit duidelijk aan. In een laaginkomensland zoals Indië is de leeftijdsgroep van jongeren van 0-19 jaar (G) heel groot, met 35,7 percent, vergeleken met 17,2 procent in Japan of 17,7 procent in Duitsland. Vermits het virus weinig impact heeft op jongeren is daardoor het aandeel van de bevolking dat geïnfecteerd raakt aanzienlijk lager in Indië. Nogmaals, het erg lage percentage van oude mensen (rij H, 6,6 procent) vergeleken met de andere vijf landen is opmerkelijk. Het percentage van 22,2 procent in Duitsland betekent dat het aantal sterfgevallen per capita daar veel hoger zou moeten zijn dan in Indië, met een factor van 3 of 4, omdat COVID-19 bij oudere mensen veel vaker resulteert in mortaliteit dan in de jongere leeftijdsgroepen. Zelfs in China, waar het aantal geboorten beperkt werd door de Maoïstische geboortebeperkingspolitiek, en de focus op kleinere families leidde tot een langere levensduur, verklaren de leeftijdsverschillen gebaseerd op laag inkomen mogelijk China's goede COVID-19-prestatie – we hoeven niet noodzakelijk de Trump-retoriek over leugenachtige en misleidende Chinese autoriteiten te geloven.

 

De voordelen van relatieve armoede

De andere elementen van Tabel 2 die in het voordeel spelen van Indië en China, vergeleken met de andere vier naties, zijn gericht op een veel lager urbanisme, minder luchtvervuiling en verdere grenzen (rijen J-M). Rij J toont de emissie van koolstofdioxide, methaan, stikstofoxide, perfluorkoolstof, fluorkoolwaterstoffen en sulfur-hexafluoride in ton per capita. De combinatie van hoge luchtvervuiling met een hoge graad van verstedelijking in de zes rijkere landen is een potentieel krachtige factor voor overdracht en intensiteit van het virus, hoewel onderzoek hierover nog loopt. Nogmaals, in de armere grote landen toont de tabel lange grenzen, maar deze zijn ver verwijderd van stedelijke centra, en een lage bevolkingsdichtheid in het algemeen. In tegenstelling daarmee hebben de VS heel wat grenzen in dichtbevolkte gebieden, grenzend aan andere hoog-COVID-19 naties – Canada met 3.479 en Mexico met 4.372 gevallen per miljoen.

De resultaten van levensverwachting in rij P geven de effecten weer van een laag inkomen en lage gezondheidszorguitgaven – waarbij de levensverwachting in Indië 15 jaar en meer beneden die van Japan ligt. Dus, alhoewel het ontbreken van fondsen voor gezondheidszorg in de lage inkomenslanden (met in rij N de cijfers van de VS die 20 maal zoveel uitgeven, en 4 maal zo veel ten opzichte van het BNP, vergeleken met Indië) een triest feit is op wereldvlak, is het geen oorzaak van een stijging van de infectie- of mortaliteitscijfers van COVID-19, vergeleken met die van de rijke naties van deze groep.

Complexiteiten, politieke economie van COVID-19

Tabel 3 toont de vermoedelijke economische impact van COVID-19 volgens onze algemene analyse.

De grootste factor voor herstel zal waarschijnlijk de mate van spreiding van het COVID-19-virus zijn. Zo hebben Japan en de VS bijna hetzelfde inkomen per capita (Tabel 3, rij Q), maar Japan heeft een veel lagere incidentie van COVID-19 (Tabel 1, rijen A-C), minder dan een vierde van de Britse gevallen, een zeer kleine fractie van de verhouding van waargenomen gevallen van overlijden. We kunnen een vlotter herstel verwachten in Japan. Anderzijds, algemeen beschouwd over de gehele tabel zijn er verschillende andere factoren die economische voorspellingen beïnvloeden, zoals voorgesteld in Tabel 3.

Rij T toont verschillende percentages van BBP in de zes naties in post-recessiejaren, en, als alle andere factoren gelijk blijven, hebben de snelgroeiende landen China en Indië een betere uitgangspositie voor herstel. Hun lagere niveau van nationale schuld (rij R) betekent dat ze mogelijk meer speling hebben voor overheidsfinanciering – dit wil zeggen: groei zal schulden van herstelfinanciering verlagen. Tegelijkertijd hebben beide landen een betere kans om openbare middelen te lenen door het verhogen van de nationale schuld.

Japan daarentegen heeft al een hoge nationale schuld (R), maar een lage COVID-19 incidentie, en zal dus mogelijk de imminente financieringsproblemen kunnen weg-handelen – zie rij S die aantoont dat Japan, zoals Duitsland, een overschot heeft op zijn export-import handelsbalans (e+i%).

Handel zal cruciaal zijn. Rij Y toont een grote wederzijdse afhankelijkheid van handel in deze groep – de berekening hier toont het aantal van de zes landen genoteerd in de top vier import/exportnaties ; een cijfer van 0 staat voor een minimum afhankelijkheid, een cijfer 4 voor het maximum. De cijfers 2 en 3 in deze rij tonen daarom een hoge afhankelijkheid van handel in de groep – ernstige verstoring van de handel als gevolg van een langzaam COVID-19-herstel van eender welk lid van de groep zal een aantoonbaar impact hebben op de anderen. Dus zouden de grote naties – in een pessimistisch scenario – wel eens de rest van de wereld in een verdere economische recessie kunnen leiden door een daling in hun handelsactiviteiten buiten de groep.

Dit wordt duidelijk als we focussen op de VS en China als handelsnaties, en rekening houdend met het feit dat de totale Chinese economie veel sneller groeit dan die van de VS (rij T). In 52 van de 64 belangrijke economieën op wereldschaal, staat China gerangschikt in de top 4 als hun exporteur of importeur. In 33 gevallen is China de belangrijkste bron van import. China importeert 10% minder dan dat het exporteert, en groeit al een hele tijd erg snel. De VS daarentegen hebben een veel geringere impact op de wereld, met een disproportionele handel over de eigen grenzen heen met Canada en Mexico, of met China en Japan. De VS importeren 20 % meer dan dat ze exporteren, en het BBP is gegroeid met een tempo dat maar 30 procent bedraagt van dat van China. Cruciaal is dat, in verhouding, de Chinese export die naar armere, niet-industriële landen gaat, ongeveer twee keer zo groot is als die van de VS. We kunnen concluderen dat, alhoewel een ferme daling van de handel alle landen zou treffen, een substantiële verstoring van de Chinese handel ernstige gevolgen zou hebben voor een groter aantal landen, en meer bepaald voor armere of opkomende landen.

Beperkingen bij beleidskeuzes

Uiteindelijk kan de politieke dimensie slechts bij benadering ingeschat worden. Rijen W,X en Z geven een idee van een maatstaf voor een vergelijkende politieke economie voor de zes landen. De menselijke ontwikkelingsindex (HDI) van de Verenigde Naties omvat levensverwachting, opleiding en inkomen, en rij X voegt de graad toe van inkomensongelijkheid tussen landen – hoe lager het cijfer, hoe groter de ongelijkheid. Indië lijdt hier erg onder zijn lage HDI-positie, wat lange-termijnherstel van COVID-19 zou kunnen belemmeren. Verrassend genoeg – gezien de verscheidenheid van politieke systemen in deze groep – zijn de niveaus van gelijkheid/ongelijkheid geen reden om trots te zijn, maar wel relatief klein. Dus deze naties zouden het moeilijk hebben om economische herstelprogramma's in te voeren die de hoge niveaus van HDI zouden temperen, en tegelijkertijd – zoals aangetoond in rij Z – hebben ze erg sterke posities van politieke economische vrijheid naar de metingen van Freedom House eerder in 2020. De “*” duidt aan dat alle landen behalve China gedefinieerd worden als “electorale democratieën, met Duitsland en Japan aan de top wat dit betreft. China is hier een buitenbeentje.

 

Zes naties en globaal herstel

De conclusie is merkwaardig. Dit immens invloedrijke deel van onze COVID-19-wereld heeft meer dan gemiddeld geleden onder het virus, heeft het op verschillende manieren aangepakt, vaak met problemen, en is economisch sterk verweven.

Het herstel van de VS zal vermoedelijk langzaam gaan, en is moeilijk te voorspellen, omdat het land erg te lijden heeft onder COVID-19, en een lage graad van economische groei kent. En, zoals rij X en Z aantonen, Freedom House heeft redenen om de VS te identificeren als een land met verval van liberale democratie en het “functioneren van regering, vrijheid van meningsuiting en geloof, en rechtsstaat”. Deze beoordeling dateert van net voor de COVID-19 uitbraak.

Indië zou wel eens een tegenstelling kunnen vormen, met een sneller herstel vanwege een lagere COVID-19 impact en voordelen die voortvloeien uit alle factoren in Tabel 2. Een spoedig herstel in China samen met een redelijke groei in Indië zou de toonaangevende optimistische combinatie kunnen zijn – ze kennen beiden snelle groeicijfers in het recente COVID-19 verleden, en zijn wederzijdse handelaars. Vooral China heeft een impact op een reeks van minder ontwikkelde landen, meer dan de VS of de andere zes grote naties. Bovendien heeft China nog politieke ruimte om te bewegen – geen electorale klachten over afnemende democratie, een zeer lage graad van politieke vrijheid zoals gedefinieerd door Freedom House (rij Z), maar daardoor de mogelijkheid om gepredetermineerde programma's voor herstel en open handel door te voeren.

In deze erg complexe situatie, zou het tenslotte kunnen dat de VS-China-handelsoorlog van toon verandert, van een eenvoudig dualisme naar een duidelijke scheidingslijn tussen VS-druk voor globaal protectionisme, en een Chinese vasthoudendheid aan globale vrije handel.

 
Professor Ian Inkster is mondiaal historicus en politiek economist bij SOAS, Universiteit van Londen, die gedoceerd en onderzoek gedaan heeft aan universiteiten in Engeland, Australië, Taiwan en Japan. Hij is auteur van 13 boeken over Aziatische en mondiale dynamiek met een focus op industriële en technologische ontwikkeling. Hij is auteur van “History of Technology since 2000″ en nog te publiceren werken zijn “Distraction Capitalism: The World Since 1971″ en “Invasive Technology and Indigenous Frontiers: Case Studies of Accelerated Change in History,” met David Pretel. Volg hem op Twitter @inksterian

Start een discussie

Auteurs graag inloggen »

Regels

  • Alle reacties worden beoordeeld door een moderator. Verzend je reactie maar één keer, anders kan deze als spam worden gemarkeerd.
  • Wees respectvol tegen elkaar. Reacties met hatelijke opmerkingen, obsceniteiten en persoonlijke aanvallen worden niet goedgekeurd.