Sluiten

Steun Global Voices en doneer vandaag nog!

Onze vrijwilligers over de hele wereld zetten zich elke dag in om verhalen te schrijven of te vertalen die je nergens anders leest. Maar hiervoor hebben we jouw hulp nodig. Steun onze editors, onze technologie en onze projecten met een donatie aan Global Voices!

Doneer nu

Tunesië heeft een probleem met desinformatie, maar dat kan niet worden opgelost door het (verder) strafbaar stellen van meningsuiting

Een journalist en zijn cameraman doen vanuit een stembureau verslag van de verkiezingen op 13 oktober 2019. Tijdens de verkiezingen van vorig jaar werden de sociale media verstoord door desinformatie. Foto door ISIE, de Tunesische kiescommissie [Publiek domein].

Naar aanleiding van de verontwaardiging van mensenrechtengroeperingen en burgers is een controversieel wetsvoorstel ingetrokken waarmee de online verspreiding van ”vals” en ”twijfelachtig” nieuws in Tunesië strafbaar zou worden gesteld.  

Het wetsvoorstel, geïnitieerd door parlementslid Mabrouk Korchid van Tahya Tounes (een van de partijen in de huidige regeringscoalitie) en gesteund door 46 andere parlementsleden, kwam voor veel Tunesiërs als een verrassing, omdat het land in lockdown zit vanwege de COVID-19-pandemie.

In het wetsvoorstel worden amendementen voorgesteld op de artikelen 245 en 247 van het Tunesische wetboek van strafrecht om “aanvallen op de reputatie en het bederven van het democratische milieu te verhinderen”, waarbij naar Duitsland en Frankrijk wordt verwezen als voorbeelden van democratieën die wetten hebben gemaakt tegen “nepnieuws”.

De taal in het wetsvoorstel is echter algemeen en vaag en zou in strijd zijn met de grondwettelijke waarborgen voor de vrijheid van meningsuiting en de internationale normen voor de mensenrechten. Artikel 31 van de Tunesische grondwet garandeert de vrijheid van mening, gedachte en meningsuiting en de media- en publicatievrijheid, en verbiedt elke voorafgaande censuur op deze vrijheden, terwijl artikel 32 de toegang tot informatie en communicatienetwerken garandeert. Tunesië is ook een staat die partij is in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Het wetsvoorstel stelt een gevangenisstraf voor van twee jaar en een boete tussen 10.000 en 20.000 Tunesische dinar (ongeveer 3000 tot 6000 euro) voor “gebruikers van communicatienetwerken en sociale mediaplatforms” die worden veroordeeld voor het verspreiden van “elke valse of twijfelachtige uiting…die beledigend kan zijn voor individuen, groepen of instellingen”.

Wie die deze bepaling overtreedt tijdens een verkiezingsperiode of in de zes maanden voor de verkiezingen, riskeert een dubbele straf. De straf kan ook worden verdubbeld voor gebruikers die bij het verspreiden van deze inhoud hun identiteit verbergen.  

Bovendien zouden de voorgestelde amendementen de openbare aanklager ruime bevoegdheden geven om “toezicht te houden op elektronische misdaden en degenen die deze begaan te ontmaskeren”. Tijdens de verkiezingsperiodes moet de openbare aanklager “de nodige preventieve maatregelen nemen” om de verspreiding van dergelijke inhoud te voorkomen.

Het wetsvoorstel is gedateerd op 12 maart 2020 en is op 29 maart aan het parlement voorgelegd. De voorstanders ervan vroegen om een snelle behandeling, onder het voorwendsel dat de regionale verkiezingen van het land gepland zijn voor 2021. Zodra het wetsvoorstel aan het publiek werd bekendgemaakt, kregen de voorstanders ervan online echter tegenstand van mensenrechtengroeperingen en boze burgers. 

Een dag na de indiening van het wetsvoorstel kondigde initiatiefnemer Korchid aan dat hij het wetsvoorstel “voorlopig” zal intrekken vanwege de huidige gezondheidssituatie. Verschillende andere parlementsleden zeiden ook dat ze hun handtekening introkken. Anderen, zoals het onafhankelijke parlementslid Safi Said, beweerden dat ze een andere versie van het wetsvoorstel hadden gesteund dan de versie die uiteindelijk werd ingediend

Tegengaan van desinformatie ‘zonder afbreuk te doen’ aan de vrijheid van meningsuiting

Het lijdt geen twijfel dat er in Tunesië een probleem is met mis- en desinformatie, zoals in de rest van de wereld. De bezorgdheid over de invloed van dergelijke content op het verkiezingsproces en de gevolgen voor de fragiele democratie van het land kwam naar voren tijdens de presidents- en parlementsverkiezingen van vorig jaar. Tijdens de verkiezingsperiode stonden de sociale media bol van politieke geruchten en vals nieuws – met name op Facebook

De verkiezingen zijn misschien afgelopen, maar de geruchten zijn zich blijven verspreiden, ook nu het land de verspreiding van COVID-19 bestrijdt, dat al 628 mensen heeft besmet en tot 7 april 24 mensen heeft gedood. Dit heeft het ministerie van Volksgezondheid ertoe aangezet om op 29 maart een verklaring te publiceren, waarin het waarschuwde dat het juridische stappen zou ondernemen tegen iedereen die “geruchten en misleidende informatie verspreidt, om zo de volksgezondheid te beschermen”.

Maar hoewel het tegengaan van desinformatie een legitiem doel is, zou het verder strafbaar stellen van vreedzame meningsuiting alleen maar een grote beperking betekenen van het recht van burgers om vrij en vreedzaam hun mening te uiten en toegang te krijgen tot informatie, en als gevolg daarvan een bedreiging vormen voor de democratische vooruitgang die Tunesië heeft geboekt in de afgelopen jaren na de val van het Ben Ali-regime in 2011. 

In een verklaring die op 30 maart werd gepubliceerd door 24 maatschappelijke organisaties, mensenrechten- en persvrijheidsgroepen, waaronder de Tunesische Liga voor de Mensenrechten (LTDH), de Algemene Unie van Tunesische Werknemers, de Tunesische Vereniging voor de verdediging van de individuele vrijheden en het Nationaal Syndicaat van Tunesische Journalisten (SNJT), waarschuwden zij:  

ولئن كان التصدي للأخبار الزائفة أمرا مشروعا، إلا أنه لا يجب أن يتحول إلى مطية لضرب الفصلين 31 و32 من الدستور التونسي عبر استعمال عبارات فضفاضة كالتي وردت في المقترح

Hoewel het tegengaan van nepnieuws legitiem is, mag het geen voorwendsel worden om de artikelen 31 en 32 van de Tunesische grondwet te schenden met vage uitdrukkingen zoals die welke in het wetsvoorstel voorkomen.

Aan de andere kant pleitte de onafhankelijke toezichthouder voor de omroep (HAICA) van het land ervoor om alle belanghebbenden te betrekken bij de aanpak van mis- en desinformatie:

موضوع الأخبار الزائفة يجب أن يطرح في إطار حوار واسع يجمع كافة المتدخلين من مختصين وهياكل مهنية ومؤسسات إعلامية ومكونات مجتمع مدني لإيجاد الحلول الكفيلة بالتصدي لهذه الظاهرة دون المساس من جوهر الحق في حرية التعبير في تناسق تام مع مقتضيات الفصل 49 من الدستور التونسي

Het thema nepnieuws moet worden behandeld in het kader van een brede dialoog die alle belanghebbenden van deskundigen, professionele structuren, media-instellingen en het maatschappelijk middenveld samenbrengt om oplossingen te vinden om dit fenomeen tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de essentie van het recht op vrije meningsuiting, in volledige overeenstemming met de vereisten van artikel 49 van de Tunesische grondwet.

Artikel 49 bepaalt dat beperkingen van in de grondwet gewaarborgde rechten en vrijheid “slechts kunnen worden ingesteld om redenen die noodzakelijk zijn voor een burgerlijke en democratische staat” en begrenst deze beperkingen tot legitieme redenen zoals de bescherming van de rechten van anderen, en vereisten inzake openbare orde of volksgezondheid, enzovoort, “mits er sprake is van evenredigheid tussen deze beperkingen en het nagestreefde doel”.

Deze recente poging om het recht van Tunesiërs op vrijheid van meningsuiting en informatie online te beperken is van korte duur geweest. Deze rechten blijven echter in gevaar. Korchid zei immers dat hij het wetsvoorstel “voorlopig” introk en dat hij er “van overtuigd” bleef dat het de vrijheden niet bedreigt. Het is dus mogelijk dat de wetgevers in de toekomst het wetsvoorstel of een andere versie opnieuw proberen in te dienen.

Bovendien heeft Tunesië weliswaar sinds 2011 prijzenswaardige vooruitgang geboekt op het gebied van de mensenrechten, maar verschillende wetten die de vrijheid van meningsuiting beperken en daarmee de internationale normen schenden, gelden nog steeds.

Artikel 86 van de Telecommunicatiewet bepaalt dat iedereen die veroordeeld is voor “het schaden van anderen of het verstoren van hun leven via openbare communicatienetwerken” tot twee jaar gevangenisstraf kan krijgen. Het wetboek van strafrecht bevat bepalingen die smaad en de verspreiding van inhoud “die de openbare orde of de goede zeden kunnen schaden” strafbaar stellen.

In plaats van de vreedzame meningsuiting nog meer te criminaliseren, zou het Tunesische parlement zich moeten inspannen om de genoemde beperkingen te wijzigen en af te schaffen. Alleen maatregelen die de transparantie van de regering versterken en het vertrouwen van de burgers in haar instellingen vergroten – en een gunstig klimaat voor de media en de persvrijheid stimuleren – kunnen desinformatie tegengaan zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten en vrijheden.

Start een discussie

Auteurs graag inloggen »

Regels

  • Alle reacties worden beoordeeld door een moderator. Verzend je reactie maar één keer, anders kan deze als spam worden gemarkeerd.
  • Wees respectvol tegen elkaar. Reacties met hatelijke opmerkingen, obsceniteiten en persoonlijke aanvallen worden niet goedgekeurd.